Archief Inhoudsopgave

De Friskijker

onderzoeker Jorcho van Vlijmen

“Een maatschappelijke dialoog is hard nodig”

Vorig jaar promoveerde Jorcho Van Vlijmen aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een onderzoek naar de onzichtbaarheid en onderwaardering van schoonmakers. Sindsdien bleef hij onderzoek doen in de sector. Zijn conclusie? Schoonmakers zijn trots op hun werk, maar niet op zichzelf. “Het is hoog tijd dat schoonmakers meer waardering krijgen voor het maatschappelijk belangrijke werk dat ze doen.”

“Het idee om op dit onderwerp te promoveren ontstond tijdens de stakingen van 2012”, vertelt Van Vlijmen. “Het viel mij op dat schoonmakers veelvuldig om meer respect vroegen. Ik vroeg me af: wat bedoelen ze daar dan eigenlijk mee, wat zit daarachter? Ik ben van origine theoloog en als docent werkzaam bij de opleiding Facility Management van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Dit onderwerp paste bij mij: schoonmakers vormen een belangrijke groep voor mijn studenten en als theoloog was ik benieuwd naar de betekenis van schoonmaakwerk.” Voor zijn onderzoek sprak Van Vlijmen onder meer met 34 schoonmakers en volgde hij samen met acht anderen een schoonmaakcursus van drie maanden. “Het meedraaien met die cursus was heel waardevol voor mijn onderzoek. Door een aantal maanden met de schoonmakers op te trekken, kreeg ik veel over de praktijk van hun werk en over henzelf te horen.”

Trots op werk

Uit het proefschrift van Van Vlijmen komen twee belangrijke punten naar voren. “Allereerst heb ik geconstateerd dat schoonmakers een ongelooflijke betrokkenheid bij hun vak hebben. Ze doen veel moeite om het beste resultaat te krijgen. Ze maken extra uren en vinden het moeilijk om het werk, bijvoorbeeld voor een vakantie, achter zich te laten. Ze zijn echt trots op hun werk en halen er veel voldoening uit. Ze voelen ook dat ze op basis van hun werk een plek verdienen.” De andere kant van de medaille is dat schoonmakers voor de mensen voor wie ze werken vaak onzichtbaar zijn. Van Vlijmen: “Soms letterlijk, omdat ze niet worden gezien en niet worden gegroet. Maar soms ook figuurlijk: ze krijgen voor hun gevoel niet de erkenning en waardering voor het belangrijke werk dat ze doen. Die twee zaken, de voldoening die je uit je werk haalt en het gebrek aan waardering en gezien worden, staan op gespannen voet.”

Schoonmakers krijgen niet de waardering die ze verdienen

Paradijsverhaal

De voldoening die schoonmakers halen uit hun werk, wordt volgens Van Vlijmen gefrustreerd door dat gebrek aan erkenning en waardering. Als theoloog verwijst hij naar het paradijsverhaal. “In mijn proefschrift heb ik de analogie gemaakt met dat verhaal. We besteden niet alleen de schoonmaak, maar ook onze verantwoordelijkheid voor een schone plek helemaal uit. We verwachten niets minder dan dat ‘een ander’ onze rommel toch wel opruimt. Schoonmakers werken in een modern paradijs, maar ze zijn er zelf niet welkom.” Een ander element uit het paradijsverhaal is het idee van straf. Van Vlijmen: “De verdrijving uit het paradijs zou een straf zijn voor ongehoorzaamheid, dat zie je hier ook terug. Schoonmaakwerk is een straf, omdat je het gebruikelijke pad niet hebt gevolgd, je kansen niet hebt benut, geen vak hebt geleerd. Dat klinkt misschien hard, maar een groepje middelbare scholieren met wie ik over dit onderwerp sprak, vroeg mij eens: ‘weet u wat wij moeten doen op school, als we straf krijgen?’. Ik hoef geen antwoord te geven, denk ik.”

Van Vlijmen denkt dat het goed is als er een maatschappelijke dialoog op gang komt over de waardering van die ruim honderdduizend schoonmakers die Nederland telt.

“Er is de afgelopen jaren heel erg gestuurd op efficiency. Opdrachtgevers wilden steeds meer voor minder. Daardoor zijn we het zicht op mensen kwijtgeraakt. Dat staan wij als maatschappij toe. Bovendien is het ook de maatschappij die de schoonmaker op zijn werkplek onzichtbaar maakt en uitsluit. Daar moeten we ons bewust van zijn. Een maatschappelijke dialoog is hard nodig en die begint bij het werkelijk zien van jouw schoonmaker.”

Volgens Van Vlijmen kan OSB als brancheorganisatie een belangrijke bijdrage leveren aan het stimuleren daarvan. “Door voortdurend te laten zien dat schoonmakers hun werk met veel toewijding en vakmanschap doen en door te hameren op de verantwoordelijkheid die we voor elkaar hebben. Zo zou er wellicht een gezamenlijke, landelijke campagne kunnen worden opgezet. Mens-zijn betekent oog hebben voor de ander, die voor ons zorgt en die zelf ook onze zorg verdient. Dat betekent ook oog hebben voor alle schoonmakers, die dag in dag uit voor ons in touw zijn om te zorgen dat wij kunnen leven zoals we leven.”

Naar begin